natuurtrompetten
             natuurtrompetten

Natuurtonen

Natuurtonen zijn de tonen die ontstaan als je op een holle buis blaast. Een dergelijke holle buis kan een stuk tuinslang zijn, maar ook een instrument. De natuurtrompet is een trompet zonder ventielen, dus met een klankbuis van vaste lengte. De enige tonen die dan voortgebracht kunnen worden, zijn de natuurtonen, gehele veelvouden van de grondtoon zoals die door de lengte van de buis bepaald is. Door de embouchure te veranderen ontstaat bij het spelen een reeks natuurtonen. Ook overblazen is een belangrijke techniek.

Over de embouchure (van het Franse bouche = mond) valt veel te vertellen, klik hier bijvoorbeeld.

De natuurtonen komen altijd in dezelfde volgorde te voorschijn:

grondtoon - rein octaaf - reine kwint - reine kwart - grote terts - kleine terts - kleine terts - grote secunde - grote secunde - en zo verder.

In een notenvoorbeeld: C - c - g - c1 - e1 - g1 - bes1 - c2 - d2 - e2 - fis2 - g2 - as2 - bes2 - b2 - c3

In theorie gaat de reeks natuurtonen eindeloos door. In de praktijk is de kundigheid van de speler de beperkende factor. Andere namen voor natuurtonen zijn: boventonen of harmonischen.

Voorbeeld van een melodie die op een natuurtrompet gespeeld kan worden is The last post.

boventonenreeks

 

Ventielen

Hoe werkt een ventiel bij de trompet?

trompetventielen
                   trompetventielen

Het meest voorkomende type ventiel, het pompventiel (piston of drukventiel), bestaat uit een cilinder, de ventielbuis, waarin een zuiger bewogen kan worden, die in de ingedrukte stand een buis aan de hoofdbuis inschakelt en deze zo verlengt. Het ventiel wordt na gebruik weer door een veer omhoog gedrukt.

Als je de ventielen niet gebruikt dan loopt de lucht zonder omwegen door het instrument (1). Bij het neerdrukken van een ventiel loopt de lucht ook door het U-vormige buisje dat aan het ventiel vast zit, waardoor de lengte van de luchtkolom groter wordt en het instrument dus lager klinkt (2). De meeste ventieltrompetten hebben drie ventielen, die elk op zichzelf of in elke combinatie kunnen worden ingedrukt waardoor de grondtoon van het instrument wordt verlaagd.

Door het indrukken van het middelste ventiel wordt de toonhoogte verlaagd met een halve toon. Het eerste ventiel geeft een hele toon verlaging, het derde anderhalve toon. Met drie ventielen heb je dan zeven mogelijkheden: 0 (alle ventielen open), 2, 1, 1+2 (of 3 alleen), 2+3, 1+3, 1+2+3 (alle ventielen ingedrukt). Door deze combinaties, met daarbij verschillende boventonen door veranderingen in de druk van de lippen, is de speler in staat om alle noten van de toonladder te produceren.

Het ventielensysteem werd begin 19e eeuw ontwikkeld door Stölzel, Blühmel en Wieprecht. Verdere verbeteringen volgden door Périnet, Sax, Besson en Mahillon. Van de verschillende systemen bleven het drukventiel of pompventiel (o.a. trompet) en het draaiventiel of cilinderventiel (o.a. hoorn) bestaan. Bij een draaiventiel drukt de speler een toets in waardoor een klep een kwart slag draait en extra buislengte ingeschakeld wordt. Het draaiventiel is uitgevonden door de Oostenrijker Riedl rond 1835.

draaiventieldrukventieldrukventiel
   draaiventiel
Pin It