De huidige blaasmuziekkorpsen, zoals een harmonie en een fanfare, zijn ontstaan naar het voorbeeld van de militaire kapellen. Al bij de eerste militaire muziek, die van de Egyptenaren bijvoorbeeld, 1400 jaar voor Christus, of die van de Romeinen, werd gebruik gemaakt van trompetten, bazuinen en trommen, later gevolgd door pauken en pijperfluiten. De muzikanten gaven bevelen van de officieren naar de manschappen door met signalen, ze ondersteunden militaire acties en veraangenaamden het marcheren.

Aan de vorstenhoven werd het na 1300 een gewoonte om musici in vaste dienst te nemen. Zij bedienden zich voornamelijk van de trompet en de pauken, de koninklijke instrumenten. In oorlogstijd werden zij ingezet als militaire muzikanten en verder dienden zij als statussymbool aan het hof. Vanaf de 15e eeuw zijn de trommen en de pijperfluiten (=houten dwarsfluiten zonder kleppen) voor het voetvolk (infanterie) en de pauken en de trompetten voor de bereden wapens (cavalerie).

Rond 1600 ontstond door de groei van steden en dorpen de behoefte aan een vastere bezetting van muzikanten die officiële en feestelijke gelegenheden muzikaal konden opluisteren. Dit bood de tot dan toe rondreizende speellieden de kans op een vaste baan met de daarbij horende rechten en privileges. De stadsmuzikanten kregen meestal een buitenmuzikale hoofdtaak, bijvoorbeeld torenwachter. Doordat er meestal meerdere torenwachters in een stad werkzaam waren en de speellieden meerdere instrumenten konden bespelen, ontstonden de eerste ensembles, deze werden stadspijpers genoemd. In de Middeleeuwen verenigden deze stadspijpers zich in gilden met aan het hoofd de 'vicarius'. De stadspijpers was het heel lang verboden om de koninklijke instrumenten, de trompet en de pauken, te bespelen. De blaasensembles bestonden hoofdzakelijk uit schalmeien (later hobo's), zinken, fluiten en trombones plus trommen; instrumenten die goed klinken in de open lucht en grote ruimten.

De Stadspijpers van Den Bosch, anno 2010
   De Stadspijpers van Den Bosch, anno 2010

Lodewijk XIV, de Zonnekoning van Frankrijk (1639-1715), had grote belangstelling voor de kunst en de krijgskunde. In de militaire muziek werden deze twee interesses verenigd. De hofcomponist Jean-Baptiste Lully (1632-1687) was onder meer verantwoordelijk voor de organisatie van de Franse de militaire muziek. Uit deze tijd stamt ook de eerste marsmuziek voor blaasorkest. De hobo's en de fagotten vormden toen de kern van het militaire orkest. Aan het einde van de 18e eeuw bestond een orkest uit bijvoorbeeld 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 hoorns en 2 fagotten, aangevuld met een fluit of piccolo, een trompet, een baszink (serpent) en slagwerk.

De 19e eeuw werd een bloeiperiode voor de blaasmuziek, vooral in Frankrijk. De oorspronkelijke functionele betekenis van de militaire muziek werd door de veranderende militaire omstandigheden omgebogen: op de slagvelden was muziek overbodig geworden want nieuwe wapens overstemden de trompetsignalen en nieuwe transportmiddelen vervingen de lange marsen van de infanterie met het tromgeroffel. De Franse keizer Napoleon Bonaparte (1769-1821) vond een grote hofhouding en veel militaire muziek statusverhogend. Het blaasorkest werd daarom gebruikt voor allerlei manifestaties en plechtigheden in de open lucht. Bij de eerste herdenking van de val van de Bastille in 1790 werd het Te Deum van François-Joseph Gossec (1734-1829) uitgevoerd door 350 blazers en 300 slagwerkers. Napoleon zag in de militaire muziek ook een mogelijkheid om het volk gunstig te stemmen en stond erop dat elk garnizoen over een muziekkapel beschikte die de burgers geregeld op publieke concerten vergastte. Ook verleenden de muziekkapellen hun medewerking aan initiatieven van gemeentelijke overheden (inhuldigingsplechtigheden, kermisfeesten en optochten) en muziekverenigingen.

De instrumenten werden sterk verbeterd en er werden nieuwe instrumenten ontworpen. Rond 1815 ontwikkelden Heinrich Stölzel en Friedrich Blühmel het mechanisme van de ventielen. Theobald Böhm bedacht een kleppensysteem voor de dwarsfluit dat uiteindelijk ook op de klarinet, hobo en fagot toegepast werd. Adolphe Sax ontwierp een reeks saxofoons en saxhoorns. Het gebruik van slagwerk: grote trommen, bekkens, tamboerijnen, triangels en schellenbomen, werd overgenomen van de Ottomaanse muziekkorpsen: de Janitsarenorkesten. Aan het eind van de 18e eeuw was alles wat met het Ottomaanse (=Turkse) Rijk te maken had, hevig in de mode. Behalve uit slagwerk bestond de instrumentatie van deze orkesten uit hobo's en fluiten.

Uit het muziekkorps van de infanterie (fluit, piccolo, klarinetten, 2 fagotten, 2 trompetten, 2 waldhoorns, 3 trombones, 3 serpenten, grote trom, kleine trom, bekkens) ontstond de harmonie (dat bijvoorbeeld in Duitsland nu eens 'Janitsarmusik' dan weer 'Harmoniemusik' werd genoemd), uit het muziekkorps van de cavalerie (hoorns, trompetten, waldhoorns, tuba's en trombones) de fanfare. In de eerste helft van de 19e eeuw werd door kapelmeester Wilhelm Wieprecht (1802-1872), inspecteur-generaal van de Duitse militaire muziek, voor de Pruisische orkesten een uniforme bezetting vastgesteld. Daarbij was hij de eerste die onderscheid maakte tussen een harmonie- en fanfarebezetting. Het harmonieorkest zoals we dat nu kennen, dateert van omstreeks 1870.

Infanterie 1806

Deze prent uit 1806 van W. Staring (Koninklijk Nederlands Leger- en Wapenmuseum 'Generaal Hoefer') toont het Nederlandse 9e regiment Infanterie-tamboers. Het bestond uit: tamboer-majoor, pijpers, fagottisten, klarinettisten, trombonisten, hoornisten, serpentspeler, bashoornist en fluitisten die niet echt te zien zijn op deze prent. Achteraan grote trom, bekkens en de schellenboomdragers.

Naar model van de militaire orkesten ontstonden aan het eind van de 18e eeuw de 'burgermuziekverenigingen'. Deze muziekkorpsen ontstonden bij schutterijen, sociëteiten en kerken. Dikwijls speelden legermuzikanten mee die als bijverdienste muzieklessen gaven. Legerkapelmeesters fungeerden vaak als dirigenten. In 1830 en 1841 kwamen vanwege bezuinigingen honderden militaire muzikanten op straat te staan die hun weg vonden naar het burgermuziekleven.

Het repertoire in de 19e eeuw werd gedomineerd door bewerkingen van ouvertures en suites van populaire opera's, operettes en symfonieën. De blaasorkesten waren de 'symfonieorkesten van het gewone volk'. Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werden veel bedrijfsorkesten en arbeidersmuziekverenigingen opgericht. Dat de blaasmuziek vooral in de dichtbevolkte, geïndustrialiseerde gebieden tot grote bloei kwam, had te maken met het ontbreken van concertzalen waardoor er in de open lucht moest worden gemusiceerd. Ook was de speeltechniek en het onderhoud van de koperen blaasinstrumenten betrekkelijk eenvoudig. Zo ontstonden in de Zaanstreek (levensmiddelenindustrie) en in Limburg (mijnindustrie) veel fanfares.

Na de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verandert de functie van de muziekkorpsen geleidelijk. Het concerteren verplaatst zich langzaam maar zeker van open lucht- en straatoptreden naar de concertzaal. Straatoptreden worden steeds meer overgelaten aan de drumfanfares, drumbands en showkorpsen. Ook wordt de gezelligheid van een vereniging minder belangrijk, de muzikale ambities leiden tot een breder repertoire en een hoger artistiek niveau. Er komen steeds meer componisten die eigentijdse originele muziek voor harmonie- en fanfareorkesten en brassbands schrijven. In de laatste decennia van de 20ste eeuw bereiken de toporkesten een ongekend hoog niveau in de ontwikkeling naar 'symfonisch blaasorkest', met een belangrijke rol voor de officiële bondsconcoursen en de media. Bovendien komen er speciale opleidingen voor HaFaBra dirigenten. Ook de muzikanten worden beter opgeleid, vaak op muziekscholen. Concoursresultaten waren in het verleden bepalend voor de hoogte van de subsidie, tegenwoordig is het concours vooral een middel tot kwaliteitsverbetering, onder de leiding van beroepsdirigenten. In ons land zijn ongeveer 1860 amateurblaasorkesten, onderverdeeld in 850 harmonieën, 930 fanfares en 80 brassbands, met meer dan 200.000 actieve amateurmuzikanten. Noord-Brabant, Limburg en Friesland hebben nog steeds de meeste orkesten. En dan zijn er ook nog honderden blaaskapellen, zoals dweilorkesten, actief.

Bronnen: Een muziekgeschiedenis der Nederlanden onder hoofdredactie van Louis Peter Grijp. Amsterdam University Press, 2001. ISBN 90-5356-488-8. Van pijperfluit tot symfonisch blaasorkest / Jan van Ossenbruggen. Molenaar 1997. ISBN 90-70628-36-8.